Kort antwoord
Spin ontstaat als je de bal schuin raakt in plaats van recht. Topspin (bovenop, naar voren) laat de bal duiken en naar voren springen. Backspin (onderaan) laat hem afremmen en omhoog springen van je batje. Zijspin buigt de bal opzij. Tegen topspin houd je je blad meer gesloten, tegen backspin meer open.
De soorten spin
| Spin | Hoe je hem geeft | Wat de bal doet | Hoe je terugspeelt |
|---|---|---|---|
| Topspin | Bal bovenop raken, naar voren en omhoog | Duikt, springt laag en snel naar voren | Blad meer gesloten, iets over de bal |
| Backspin | Bal onderaan raken, naar voren | Remt af, springt omhoog van je batje | Blad meer open, onder de bal |
| Zijspin | Bal aan de zijkant raken | Buigt opzij en springt opzij weg | Blad iets meedraaien tegen de spin in |
| Geen spin | Recht door de bal | Voorspelbaar, vaak misleidend | Neutraal blad |
Spin lezen
Kijk naar het batje van je tegenstander, niet naar de bal:
- Beweegt het batje van onder naar boven? Topspin.
- Van boven naar onder, of schuift het onder de bal? Backspin.
- Van opzij? Zijspin.
- Een snelle beweging met weinig contact? Mogelijk weinig spin, ook al lijkt het veel.
Kijk ook naar het logo op de bal: bij veel spin zie je het niet meer.
Waarom je batje uitmaakt
Spin geven kan alleen met grip. Een rubber met noppen binnen pakt de bal en geeft veel spin; een versleten of stoffig rubber veel minder. Meer bij rubbers.
Oefenen
- Gooi een bal op, laat hem stuiten en borstel hem van onder naar boven: zie hoe hij wegduikt.
- Oefen de push tegen backspin tot je de bal steeds laag houdt.
- Laat je partner afwisselend topspin en backspin geven en roep voor je slag welke spin het is.
- Een robot geeft je dezelfde spin telkens opnieuw.