Kort antwoord
De vier basisslagen zijn de forehand en backhand (voor ballen zonder of met weinig spin) en de forehand push en backhand push (voor korte ballen met backspin). Sta met je voeten op schouderbreedte en je knieën licht gebogen, op een armlengte van de tafel. Raak de bal voor je lichaam, op het hoogste punt of net daarvoor.
De basishouding
- Voeten op schouderbreedte, rechtshandigen met de rechtervoet iets naar achteren.
- Knieën licht gebogen, gewicht op de voorvoeten.
- Bovenlichaam iets naar voren.
- Batje voor je, boven de tafelhoogte.
- Ongeveer een armlengte van de tafel.
Na elke slag keer je terug naar deze houding.
Forehand
Voor een bal aan je batjeskant. Draai je heup en schouder iets naar achteren, zwaai het batje vanuit je heup naar voren en iets omhoog, en raak de bal voor je lichaam. Eindig met het batje ongeveer bij je voorhoofd. Het blad staat licht gesloten, schuin naar voren.
Backhand
Voor een bal voor je lichaam of aan de andere kant. Het batje begint voor je buik. Beweeg vanuit je elleboog naar voren en iets omhoog, en raak de bal voor je lichaam. Houd de beweging kort; je elleboog blijft ongeveer op zijn plek.
Forehand push en backhand push
Voor een korte bal met backspin, die laag over het net komt. Open het blad (schuin naar achteren), breng het naar de bal toe en raak de bal onderaan met een rustige, duwende beweging naar voren. Zo geef je de bal zelf backspin mee terug. De backhand push is dezelfde beweging voor je lichaam.
Overzicht
| Slag | Tegen welke bal | Blad | Beweging |
|---|---|---|---|
| Forehand | Halflang of lang, weinig spin | Licht gesloten | Vanuit de heup, naar voren en omhoog |
| Backhand | Voor je lichaam, weinig spin | Licht gesloten | Vanuit de elleboog, kort |
| Forehand push | Kort, backspin | Open | Duwen, onder de bal |
| Backhand push | Kort, backspin, voor je lichaam | Open | Duwen, onder de bal |
Fouten van beginners
- Te hard slaan. Begin rustig. Tien ballen achter elkaar op tafel is beter dan een harde winner.
- Alleen met de arm. Gebruik je heup en benen, vooral bij de forehand.
- Te laat raken. Raak de bal voor je lichaam, niet naast of achter je.
- Stilstaan. Kleine stapjes zetten om goed bij de bal te staan.